banier lijntje [an error occurred while processing this directive] lijntje

Blauwtjes en Dikkopjes (Lycaenidae en Hesperiidae)

De familie van vlinders met het koolwitje noemt men naar de meest voorkomende kleur de witjes. Zo is er nog een familie van meestal kleine vlindertjes naar de kleur genoemd: blauwtjes. Dat blauwe zie je meestal het best als ze de vleugels open hebben staan, want de onderkant is vaak grauw en soms zelfs bruin. Maar de familie omvat nog veel meer, grotendeels kleine, dagvlinders. De kleine pages, zoals de Iepenpage en de Eikenpage horen in deze groep thuis en ook de vuurvlinders. Dat we deze familie van sterk verschillende kleine vlinders dan ook maar combineren met de dikkopjes is eigenlijk wel logisch. Dikkopjes zijn tamelijk kleine vlindertjes, meestal rood, roodbruin of bruin van kleur met een dik lijf en heel kleine vleugeltjes. Als je er eenmaal een gezien heb, zul je ze in het veld altijd in één oogopslag herkennen. Dikkopjes zitten een beetje tussen dag- en nachtvlinders in. Zo hebben ze de kleine vleugels die we kennen van veel uiltjes en hebben ze een dik, harig lichaam, zoals veel beervlinders dat ook hebben. Maar ze hebben wel een voelspriet met een knopje erop en ze missen de verbinding tussen achtervleugel en voorvleugel. Van alle soorten die hier worden behandeld, behoort alleen het Grote Dikkopje tot de familie der dikkopjes (Hesperiidae), alle andere zitten in de familie Lycaenidae.

Inhoud: 1 Boomblauwtje, 2 Icarusblauwtje, 3 Eikenpage, 4 Kleine Vuurvlinder, 5 Groot Dikkopje.

In onze tuin komt in tamelijk grote aantallen het boomblauwtje voor. Deze rups van deze vlinder is gek op hulst en klimop en komt daarom ook in stadsparken  en -tuinen voor. De rups scheidt een vloeistof af waar mieren gek op zijn en hij wordt dan ook door de mieren beschermd. De vlinder zit zelden met de vleugels opengeklapt. Het exemplaar linksonder is een mannetje. Dat kun je zien aan de donkere rand aan de vleugels; die is bij het vrouwtje veel breder. De onderkant van de vleugels is grijsblauw en lijkt wel zilver in de vlucht, vandaar dat deze vlinder ook wel Zilverblauwtje wordt genoemd. Bij ons vliegt de soort meestijds in twee generaties die elkaar meestal overlappen, zodat het dier gezien wordt van eind april tot midden september. Met een spanwijdte van 25 tot maximaal 30 mm is dit een tamelijk kleine vlindersoort. In de gehele Benelux een gewone soort die zelfs in grote steden tot de gewoonste vlinders behoort.

Het Boomblauwtje (Celastrina argiolus) wordt ook wel Zilverblauwtje genoemd.

Een ander heel veel voorkomend blauwtje is het Icarusblauwtje. Het is in geheel Europa (behalve dan op de Azoren en IJsland) een gewone soort, maar ook in Azië heel gewoon. De rups vinden we op verschillende planten, maar vooral op diverse klaversoorten. Vliegt in 2 tot 3 elkaar overlappende generaties van mei tot in oktober, maar wordt het vaakst gezien in juni en augustus. Is ongeveer even groot als het Boomblauwtje. De onderkant van de vleugels is veel mooier getekend dan bij het boomblauwtje, maar dat maakt de determinatie bepaald niet gemakkellijk, omdat er erg veel soorten zijn met een dergelijke tekening op de onderkant van de vleugel. Overigens is de bovenkant van de vleugels bij mannetjes en vrouwtjes verschillend: mannetjes zijn blauw, vrouwtjes bruin.

Het Icarusblauwtje (Polyommatus icarus) vindt je in geheel Europa en noordelijk Azië tot aan de Stille Oceaan.

Een ander blauwtje dat zich regelmatig laat zien is de eikepage. De vlinder komt in de Benelux heel veel voor, maar je ziet hem niet zo vaak, omdat hij het liefst hoog in bomen zit. De volwassen vlinder is namelijk gek op de honingdauw van bladluizen en zit daarom relatief weinig op bloemen. Maar bloeiende planten in de tuin kan hij niet altijd laten lopen... De bovenzijde van de vleugels is blauw, maar die zie je eigenlijk alleen als het diertje vliegt. De onderzijde is wat grijzer met gekleurde vlekjes. De naam page dankt de vlinder aan het feit dat hij kleine uitsteeksels heeft aan de vleugels. Toch is hij geen familie van de echte pages zoals de Koninginnepage. Die is veel groter en heeft ook veel langere uitsteeksels. De Eikepage bereikt een spanwijdte van maximaal 33 mm en is in de gehele Benelux een veel voorkomende, maar weinig geziene soort.

Deze heel kleine vlinder is de Eikenpage (Quercusia quercus).

De natuur maakt altijd overal uitzonderingen op, dus ook op de regel dat blauwtjes blauw zijn. Er is zelfs een blauwtje dat helemaal groen is en daarom Groentje heet! Zo is er ook de Kleine Vuurvlinder, die erg veel lijkt op de Kleine Vos. Alleen is de Kleine Vuurvlinder veel kleiner en heeft donkere achtervleugels. Er zit geen enkel zichtbaar verschil tussen de mannetjes en de vrouwtjes. Met een spanwijdte van zo'n 25 mm is dit een heel erg klein dagvlindertje. In de gehele Benelux een zeer gewone soort.

De Kleine Vuurvlinder (Lycaena phlaeas).

En dan is er nog een familie van dagvlinders met een tamelijk groot lichaam en nogal kleine vleugeltjes en een dikke kop. Vliegen kunnen ze trouwens heel goed met die kleine vleugeltjes. Ze hebben de familie Dikkop genoemd (naar die dikke kop natuurlijk) en het Grote Dikkopje is vaak in onze tuin te vinden. De zwarte streep midden op de voorvleugel bestaat net als bij het mannetje van de Argusvlinder uit geurschubben. Met een spanwijdte tot 32 mm heel wat groter dan de vorige soort. Toch lijkt hij vaak veel kleiner door de geringe oppervlakte van de vleugels.

Het Grote Dikkopje (Ochlodes venata).

Sleutelwoorden:

Bovenkant pagina

Deze pagina is voor het laatst bijgewerkt op 01-04-2006.
© www.gardensafari.net (Hania Berdys).