banier
lijntje
lijntje
back
Rozenspanner (Anticlea badiata)

De Rozenspanner laat zich maar moeilijk beschrijven: een bruinachtige vlinder met bruine, zwarte, grijze, gele en witte vlekken, bandjes, banden en golflijntjes. Gelukkig hoeven we hem hier ook niet verder te beschrijven, want je kunt hem met geen enkele andere soort verwisselen. Er zit weinig variatie in deze soort. Wel is er een opvallend verschil tussen de mannetjes en de vrouwtjes. De mannetjes zijn veel donkerder en veel contrastrijker dan de vrouwtjes. Het dier op de foto's op deze pagina is een vrouwtje. De spanwijdte van beide is ongeveer 32 tot 35 mm.

De vlinders zetten in april en mei hun eitjes af op stengels of knoppen. Dat gebeurt stuk voor stuk, of twee aan twee. De rupsjes kruipen na het uitkomen, wat al na 10 dagen plaatsvindt, zelf naar de blaadjes toe. De larven kunnen groen zijn, maar ook bruinachtig. Over de rug loopt een brede groene of bijna zwarte lengtestreep. Op de zijkanten zitten witte stipjes, behalve iets voorbij de helft, want daar zit een rij zwarte stippen. De kop is roodbruin of lichtbruin met grote zwarte vlekken op de 'wangen'. Ze eten alleen 's nachts. Al begin juli gaan de rupsen naar de grond en spinnen daar een cocon, die met aarde tussen de draden wordt versterkt. Direct daarna verpoppen ze en brengen zo de winter door. Ze bereiken een lengte van zo'n 26 mm. Als voedselplanten gelden de hondsroos en het duinroosje, maar soms wordt er een rups aangetroffen op een gekweekte roos.

De vliegtijd is niet erg lang: midden maart verschijnen de eerste en eind mei zijn ze al weer bijna allemaal weg. De Rozenspanner begint al vroeg in de avond te vliegen: rondom zonsondergang. Hij komt graag op kunstlicht af, de vrouwtjes zelfs nog meer dan de mannetjes. Het is in Nederland een zeer bijzondere soort die alleen in aantallen voorkomt in het Noord-Hollandse duingebied en lokaal in Twente en de Achterhoek. Verder ontbrekend in Nederland op een enkele vondst in Oost-Brabant en Noord-Limburg na. Over het voorkomen in BelgiŽ is ons niets bekend. In grote delen van Engeland wel een heel gewone soort. Elders in Europa soms lokaal gewoon, soms ontbrekend.