banier
lijntje
lijntje
back
Berkenoogspanner (Cyclophora albipunctata)

De Berkenoogspanner is -als hij mooi getekend is- onmiskenbaar. Minder fraai getekende exemplaren zijn meestal goed te herkennen aan de egale witte tot lichtgrijze basiskleur. Vooral de tweede generatie kent veel donkerder exemplaren, die wat lastiger zijn te herkennen, omdat ze veel kunnen lijken op de gemarmerde oogspanner. Die laatste is echter in de gehele Benelux zeer zeldzaam. Kenners houden de twee soorten uit elkaar aan de hand van de vorm van de vleugel. De berkenoogspanner heeft een spanwijdte tussen 25 en 29mm.

De meeste eitjes worden afgezet in mei en augustus. De eitjes die in mei worden afgezet, komen snel uit en de ruspsjes zijn te zien in juni en begin juli. Het verpoppen gaat snel: al tegen eind juni vliegen de eerste vlinders van de tweede generatie. De rupsen daarvan zien we in september en oktober. Tegen het einde van oktober zijn ze allemaal verpopt en het is de pop die overwintert. De rupsen vinden we in twee kleuren: groen of grijs. In beide gevallen is de kop bruin. De rupsjes bereiken een lengte van 20 tot 23mm. De enige voedselplant is de berk die we terugvinden in de naam van het beestje.

De berkenoogspanner vliegt in twee, duidelijk afgescheiden generaties. De eerste vliegt van eind april tot begin juni en de tweede van eind juni/begin juli tot begin september. Het is een actieve vlinder die overdag bloemen als distels bezoekt en zich heel gemakkelijk laat opjagen. Bezoekt ook 's nachts bloemen in de tuin, smeer en komt graag op licht af. In Nederland heel gewoon op de zandgronden in het binnenland. In de duinen tamelijk ongewoon. Ontbrekend op de kleigronden van West- en Noord-Nederland. In geheel BelgiŽ een tamelijk gewone soort.