banier
lijntje
lijntje
back
Dubbelstipvoorjaarsuil Perigrapha munda

Binnen de lastige groep van saaie voorjaarsuilen is de dubbelstipvoorjaarsuil gemakkelijk te herkennen aan de dubbele stip, waar hij ook zijn naam aan te danken heeft. De basiskleur van de voorvleugels is meestal geelachtig bruin, minder vaak roodachtig of grijsachtig bruin. Bij een enkel exemplaar ontbreekt de dubbele stip. Die exemplaren lijken sterk op de variabele voorjaarsuil, maar de dubbelstipvoorjaarsuil heeft afgeronde vleugelpunten, terwijl de variabele voorjaarsuil hoekige vleugelpunten heeft. Dubbelstipvoorjaarsuilmannetjes hebben geveerde antennes, de antennes van de vrouwtjes zijn draadvormig. De spanwijdte loopt in de pas met die van de meeste andere voorjaarsuilen en varieert van 38 tot 44mm.

De eitjes worden voornamelijk in april in groepjes op de waardplant afgezet. Ze komen al binnen 10 dagen uit. De rupsen vreten 's nachts en houden zich overdag schuil tussen bladeren zolang ze klein zijn. Grotere rupsen schuilen overdag in spleetjes van de bast van de waardplant. Al in juli zijn de rupsen volgroeid. Ze laten zich op de grond vallen, graven zich in, maken ondergronds een kokon en verpoppen daarin. De pop overwintert. De rups is duidelijk opgedeeld in drie gedeelten: een brede grijzig bruine band over de rug, met in het midden een fijn licht lijntje. De flanken zijn donkerbruin tot zwartig bruin met net daaronder de wit aangezette spiracula. Daaronder is de rups grijsachtig, soms met een wat groenige inslag. Op segment 11, dus vlak voor de staart, vaak twee zwarte bultjes op de bovenzijde. Vaak geven ze de indruk dat er een zwart dwarsbandje rond het segment zit. Tot de waardplanten behoren nagenoeg alle houtachtige bomen en struiken, zoals wilg, eik, hop en kamperfoelie. De rupsen worden zo'n 40mm lang.

De dubbelstipvoorjaarsuil vliegt vooral van maart tot eind april, hoewel soms eind mei nog exemplaren worden gezien. Vliegt meestal 's nachts, maar wordt wel eens overdag en in de schemering gezien op wilgenkatjes. Is ook verzot op bloedende bomen. Komt gemakkelijk af op licht en smeer. In zowel BelgiŽ als in Nederland een gewone soort van de zandgronden, zowel aan de kust als in het binnenland. Ontbreekt volledig op kleigrond. Overigens een gewone soort in Midden- en Noord-Europa en de gematigde gebieden van AziŽ.