banier lijntje lijntje

Inleiding Vliegen en Muggen (Diptera)

Dank aan Peter Jann (CH), Tony Irwin (UK), Willem Renema (NL), Han Endt (NL), Pascal van Acker (B), Ruud van der Weele (NL), Hans-Peter Tschorsnig (D), Gerrit Tyberghein (B), Hans Hillewaert (B) en Bastiaan Wakkie (NL) voor het helpen bij de determinatie.

Op deze pagina vond je in het verleden het volledige vliegenoverzicht. Maar omdat die pagina te groot werd, met name voor de bezoekers met een modem, is deze pagina opgedeeld in een aantal subpagina's. Hieronder tref je daarvan een uitwerking aan. Als je de naam weet van het beestje of de familie die je zoekt, dan kun je ook onze zoekmachine onderaan deze pagina gebruiken. De uitwerking hieronder tref je ook aan in de onderste van de twee balken aan de top van deze pagina.

1 Muggen en langpoten, 2 Roofvliegen, 3 Zweefvliegen, 4 Vleesvliegen, huisvliegen en bloemenvliegen, 5 Overige vliegen.

Vliegen en muggen zijn eigenlijk best wel bijzondere insecten. Ze hebben namelijk maar één paar vleugels en worden daarom tweevleugeligen genoemd. Maar met die twee vleugeltjes kunnen ze wel fantastisch vliegen. Het tweede paar is verworden tot een soort kleine haltertjes, die tijdens de vlucht worden gebruikt om te balanceren. Er zijn wereldwijd zo'n 120.000 soorten bekend, waaronder het beste 'huisdier' van de mens: de huisvlieg. Men vermoedt echter dat er nog veel meer soorten bestaan (misschien wel een miljoen). Vliegen kennen een zogenaamde volledige metamorfose, dat wil zeggen ze doorlopen alle stadia: ei, larve, pop en imago, waarbij de larve en het volwassen dier in het geheel niet op elkaar lijken. De larven van veel vliegen noemen we made. Ze hebben geen pootjes, geen antennes en doen sterk aan kleine, wittige wormpjes denken. De larves van langpootmuggen noemen we emelten. De larven van de bijvliegen zijn rattestaarten. Het diertje leeft in sterk vervuild water, ja zelfs in gier, en heeft aan het achterlijf een lange "staart". Die houdt hij boven het water uit en haalt er lucht door naar binnen.

Op de foto's hierboven van de Rouwvlieg, links, en een langpootmug, rechts, zijn de haltertjes goed te zien. Het zijn de restanten van wat ooit de achtervleugels waren.

Erg populair zijn de vliegen en muggen niet. Zelfs onder biologen zijn er niet veel die zich op de tweevleugeligen hebben gestort: het is een onoverzichtelijke groep van vaak sterk op elkaar lijkende kleine beestjes, waarvan de meerderheid er nogal saai uitziet. Vlinders en libellen bijvoorbeeld zijn zelfs onder kenners veel populairder. Maar er zijn een paar uitzonderingen. Een grote groep enthousiastelingen bestudeert de zweefvliegen en ook de wolzwevers en roofvliegen kennen hun liefhebbers. Maar de overige vliegen trekken niet veel bekijks. In de medische wereld zijn er nog wel een paar groepen belangrijk. Zo zijn steekmuggen niet alleen erg irritant, in grote delen van de wereld dragen ze ook zeer ernstige ziektes over als malaria en dengue. Ze worden dan ook intensief bestudeerd, maar daarbij is het doel eerder tot uitroeiing over te gaan dan dat men oprecht in de beestjes geïnteresseerd is. Ook politiemensen zijn in vliegen geïnteresseerd. Hen gaat het vooral om de vleesvliegen. Als iemand wordt gedood en zijn dode lichaam blijft een tijdje liggen, dan verschijnen de aaseters onder de insecten: de aaskevers en vleesvliegen zijn de belangrijkste. Maar die komen niet allemaal tegelijk: elke soort wacht op een bepaalde graad van ontbinding van het lichaam. Door nu te bestuderen welke soorten in of bij het lichaam worden aangetroffen kan de patholoog-anatoom redelijk nauwkeurig bepalen hoe lang een lichaam al op een bepaalde plek ligt. Zo verschijnt de Blauwe Vleesvlieg al vrij snel, maar duurt het enige tijd voordat de Dambordvlieg zich meldt. Zijn larven eten namelijk niet van het dode lichaam, maar maken jacht op de andere aanwezige vliegenlarven en daarvan moeten er natuurlijk genoeg zijn.

De Groene Vleesvlieg, links, en de Bromvlieg, rechts, behoren tot de bekendste vliegensoorten.

De roof- en vleesvliegen zijn redelijk groot en daarom gemakkelijk te bestuderen. Maar de meeste vliegensoorten zijn klein of zelfs heel erg klein. Zo zijn er de paddestoelmuggen, waarvan de grootste soorten nog geen halve centimeter halen. De mineervliegen zijn vaak nog kleiner. De larven van de mineervliegen leven in blad en eten dat van binnenuit op. Een blad is niet erg dik, dus om daarin te kunnen leven moet je wel heel erg klein zijn. Aangetaste bladeren kun je vaak snel herkennen aan de vraatgangen. Toch moet je erg oppassen: behalve in blad levende vliegenlarven zijn er ook in blad levende wespenlarven. Ook de bekende gallen op planten kunnen zowel door vliegen als door wespen worden veroorzaakt. Volwassen vliegen en muggen leven bijna allemaal van nectar, lichaamsvloeistoffen en dergelijke of eten helemaal niet. Ze hebben geen kaken en kunnen dus ook niet kauwen, zodat ze zijn aangewezen op vloeibaar voedsel. Van sommige soorten kunnen de larven wel een jaar leven. Volwassen vliegen worden meestal niet veel ouder dan een maand.

Wat de larven ook mogen eten: vlees, stront of bladeren, volwassen vliegen eten bijna allemaal nectar en andere vloeistoffen. Links een sluipvlieg, rechts de Menuetzweefvlieg.

Het herkennen van vliegen in het veld is eigenlijk niet zo moeilijk: elk insect met maar één paar vleugels en zonder dekschilden is een vliegensoort. Dat betekent wel dat veel insecten ten onrechte "vlieg" worden genoemd, omdat ze niet één, maar twee paar vleugels hebben. Gaasvliegen bijvoorbeeld hebben twee paar vleugels en worden tot de zogenaamde netvleugeligen gerekend. Gaasvliegen zijn dan ook nauw verwant aan mierenleeuwen, maar niet aan vliegen. Ook de Schorpioenvlieg zorgt voor verwarring. Hij behoort tot een eigen insectenorde en heeft eveneens vier vleugels en heeft met de vliegen en muggen dus helemaal niets te maken. Andere voorbeelden van insecten die we wel vliegen noemen, maar die het niet zijn: witte vliegen, eendagsvliegen (of haften) en steenvliegen.

Deze dieren heten wel vlieg, maar zijn het niet, omdat ze vier vleugels hebben. Links een gaasvlieg en rechts een schorpioenvlieg.

Het benoemen van vliegen echter is een geheel ander verhaal. Soms is het zonder microscopisch onderzoek zelfs onmogelijk de juiste familie vast te stellen. Zo zijn er huisvliegen en bloemenvliegen. De twee families zijn zo aan elkaar verwant dat de soorten soms niet eens in de juiste familie ondergebracht kunnen worden zonder ze te doden en te onderzoeken. Binnen de familie van de zweefvliegen vinden we een aantal geslachten die ook al nauwelijks uit elkaar te houden soorten bevat. Berucht in dit opzicht is het geslacht Eristalis (Blinde Bijen, ook wel Bijvliegen genoemd). Niet alleen lijken alle soorten heel erg op elkaar, de meeste soorten zijn ook nog eens variabel. Veldbiologen hebben dan ook uitgebreide tabellen bij de hand om de diertjes op naam te brengen.

Twee Blinde Bijen die sprekend op elkaar lijken, maar toch verschillende soorten vertegenwoordigen: links de Kegelbijvlieg, rechts de Blinde Bij.

En dan is het natuurlijk eigenlijk heel gek dat het vaak een makkie is om vrouwtjes en mannetjes uit elkaar te houden. Dat lijkt heel moeilijk, want bij de meeste soorten zijn die vrijwel identiek. Toch is één blik vaak voldoende om het verschil te zien: de mannetjes hebben heel grote ogen, die elkaar boven op de kop raken of bijna raken. De ogen van de vrouwtjes zijn altijd veel kleiner en staan ook veel verder uit elkaar. Dat geldt trouwens alleen voor de echte vliegen en de zwarte vliegen. Aan de ogen valt de muggen valt meestal niet zo veel te zien. In veel gevallen kun je bij muggen het sekseverschil zien aan de antennes. De mannetjes hebben vaak enorme, vertakte antennes, soms zelfs hele borstels, terwijl de vrouwtjes meestal kleinere, dunne en vaak onvertakte antennes hebben.

Links een mannetjesvlieg met grote, elkaar bijna rakende ogen. Rechts een vrouwtje met veel kleinere ogen die veel verder uit elkaar staan.

Vliegen zijn meestal geen goede bestuivers. Soms blijft er wel eens een zaadje hangen aan een zweefvlieg, maar ze missen de sterke beharing van bijen en hommels en hebben al helemaal geen speciale verzamelharen. Toch zijn er wel planten die gek zijn op vliegen. Eén van de bekendste is de Grote Stinkzwam (Phallus impudicus). Die gebruikt de vliegen niet voor de bevruchting, maar alleen voor de verspreiding van de zaden (bij zwammen heten die 'sporen'). De kop van de paddestoel gaat enorm naar rottend vlees stinken en de hoed vergaat tot een slijmerige substantie waar de vliegen dol op zijn. En terwijl die zich met het slijm vermaken kleven de sporen aan het hele vliegenlijf, om later, bij het opdrogen, weer af te vallen. Op een grote stinkzwam vind je vaak ongelooflijk veel vliegen.

De Grote Stinkzwam (Phallus impudicus) trek vele soorten vliegen aan.

Sleutelwoorden:

Bovenkant pagina

Deze pagina is voor het laatst bijgewerkt op 20-01-2007.
© www.gardensafari.net (Hania Berdys).