banier
lijntje
lijntje
back
Wachtervlinder Eupsilia transversa

De wachtervlinder is niet met een andere soort te verwisselen. Er is enige variatie in de grondkleur: vaak warm oranjebruin of kaneelbruin, soms gelig bruin of grijzig bruin. Opvallend is het gekleurde vlekje met aan beide kanten twee kleine witte stipjes. Meestal is dat vlekje oranje, maar het kan ook geel of wit zijn. Soms is de kleur van het vlekje op de linkervleugel anders dan op de rechter! De spanwijdte is 40 tot 48mm.

De eitjes worden na de overwintering stuk voor stuk apart afgezet van maart tot in april. De rupsen schuilen overdag tussen samengesponnen bladeren en gaan 's nachts eten. Behalve de blaadjes van de waardplant eten de rupsen ook elkaar, andere rupsen en zelfs de larven van andere insecten. En van de weinige rupsen die een mens in zijn vinger kunnen bijten. De rupsen zijn donkerbruin tot zwart en worden tot 50mm lang. Eenmaal volgroeid laten ze zich op de grond vallen, graven een holletje en spinnen een kokon. Soms blijven ze maanden als rups rusten in de kokon alvorens te verpoppen. Vanaf half september verschijnen de eerste vlinders. De rups van de wachtervlinder vinden we op allerlei bomen, inclusief eik, beuk, berk en wilg.

Bij ons vliegt de wachtervlinder in slechts n generatie, maar omdat hij als imago overwintert, is de vliegtijd erg lang: van september tot half april. Vliegt soms op warme winterdagen en wordt dan vaak door licht aangetrokken. In het najaar vinden we de vlinder veel op rottende vruchtjes en klimopbloesem. In de winter op boomsappen en dergelijke. In het voorjaar bezoekt hij 's nachts graag katjes. Ook frequent bezoeker van parken en tuinen. Als je hem vangt, dan lijkt dit een gemakkelijke soort om te fotograferen: hij kan zelfs gehanteerd worden. Maar terwijl hij uiterst rustig lijkt te zitten, kan hij opeens, zonder enige waarschuwing, wegvliegen. Het is een gewone soort in de gehele Benelux, vooral daar waar bomen groeien. Ook elders in Europa zeer gewoon, behalve in het uiterste noorden.